De boekhandel als spiegel
Het is altijd een klein genoegen om in een andere stad de lokale boekhandel te bezoeken. Ik koester de illusie dat het aanbod van de boekhandel een spiegel is van wat er lokaal speelt. Een illusie, want als je hier in Leiden de selexyzzzzzz-boekhandel Kooyker binnenstapt en op de eerste verdieping een blik werpt op de rekken ‘filosofie’, dan daal je snel weer diep teleurgesteld de trappen af. Het aanbod van wel twee hele rekken bestaat namelijk vooral uit populair-filosofisch werk, met hier en daar een oorspronkelijk werk uit de canon, meestal louter in Nederlandse vertaling, en een restje onverkoopbaar werk uit een lokaal wijsbegeertecollege. (Gelukkig brengt het bezoek aan Burgersdijk enige verlichting, maar ook hier is de ‘afdeling’ filosofie ingekrompen en naar het verdomhoekje verplaatst). Dat in het lokale wijsbegeerte-instituut het dogma ‘men leze in de oorspronkelijke taal’ geldt (terecht overigens, maar ik ben daar dan ook opgeleid), dat zou je nooit geraden hebben.
Parijse psychoanalyse
Met deze bij voorbaat ontkrachte en tot illusie verklaarde methode betrad ik dus de Parijser boekhandels Gilbert Joseph/Jeune. Het aanbod ‘filosofie’ is hier wél zeer goed, uiteraard alles alleen maar in Franse vertaling, zelfs de Engelse boeken. Verrassender is echter het even grote aanbod ‘psychoanalyse’ en, nee, niet als andere naam voor psychologie, maar ernaast, apart van de psychologie. Ze leken al het werk van Freud (wederom: uiteraard alleen in het Frans) te hebben en dat is nogal wat: het verzameld werk in het Duits omvat 19 banden. Goede tweede was de Franse Freud-maar-dan-anders Lacan; de rest van de namen waren me onbekend. Het is verrassend, want van de psychoanalyse hebben we hier in Nederland al lang niets meer vernomen. Alleen hoor je af en toe, in een ‘hitserie uit Amerika’, de opmerking dat iemand over iets nogal anal is. Deze schijnbaar zeer vulgaire opmerking is een verwijzing naar de ‘anale fase’ die Freud bij het ontwikkeling van het kind onderscheidt: de fase namelijk waarin het kind ontdekt dat het controle kan uitoefenen over zijn ontlasting.
Vanuit de Franse psychoanalyse gezien is de psychiatrie hier gebaseerd op de Anglo-Amerikaanse cognitieve neuropsychologie, met als de bekende weerslag ervan, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Eigenwijs als ze zijn, maken de Fransen zo hun eigen indelingen, bijvoorbeeld ten aanzien autisme. Maar hebben ze gelijk? Is het wel waar wat Freud of Lacan zeggen? Dit hoofdprobleem van Freud, wat waarschijnlijk de reden is voor het verdwijnen van de psychoanalyse alhier, hebben ze niet opgelost: het probleem van zijn methode, dat is vooral: het probleem van het ontbreken van enige methode. Nog steeds baseren zij zich op anekdotische gevallen, voorbeelden uit de mythologie en de literatuur, weigeren ze criteria geven voor genezing, etc. (Zie bijvoorbeeld het blog van Filip Buekens voor geestige voorbeelden) Doen zij het beter dan de Amerikanen? Genezen zij wel schizofrenen, psychotici en autisten? Nee, vast niet, want daar hoor je hen niet over. Anderzijds is de ‘Anglo-Amerikaanse’ psychiatrie ook niet zonder problemen: veel verder dan symptoombestrijding met zware psychofarmacologische middelen gaat het niet. De empirisch-wetenschappelijke benadering heeft echter wel als voordeel dat er kans is op verbetering, terwijl de psychoanalyse in zichzelf blijft rondcirkelen.
Filosofie op de bank
Maar moet ik ook niet de hand in eigen boezem steken (wat zou à propos Freud van deze zegswijze denken)? Ook bij een filosofisch werk/lezing/betoog bekruipt me geregeld de vraag: is het eigenlijk wel waar wat die kerel (meestal kerels) zegt? Eigenlijk zou men eerst moeten beginnen met vertellen waarom men gelooft wat men zegt, maar dat gebeurt eigenlijk nooit. Het is alsof je een kerk binnenloopt waarin iedereen al gelooft, waarin men in buiten discussie staande termen praat, waarin de prekende dominee nooit eens een buiten-dogmatische tegenvraag krijgt.
Hoogstens af en toe hoor je een losse, afwimpelende opmerking (‘als je niet vanuit gaat, kom je er nooit’, ‘een zeggen dat geen beweren is’) of een onbevredigende, want zichzelf-bevestigende of zichzelf-tegensprekende, verklaring (‘hermeneutische cirkel’, ‘denken bij de ervaring’, ‘er is geen waarheid’). Mijn eerste neiging is om te denken: laat ook maar zitten, dompel je gewoon gedachteloos onder in de pragmatische belevingsrationaliteit, volg het onvervulbare commando van het superego Enjoy! (om het Lacaniaans te zeggen). Maar dat gaat niet, iets roept me terug (om het Heideggeriaans te zeggen). Bovendien verval je dan juist in de stompzinnigste positie. Als eerstejaars student ontdek je immers dat al je ‘denken’ de meest simplistische sporen van het voorafgaande denken bevat. Hetzelfde fenomeen zie je bij natuurwetenschappers, columnisten e.d. zonder filosofische opleiding die menen te gaan ‘filosoferen’. Men herhaalt dan de bekende al te bekende onderscheidingen: subject – object, actief – passief, vorm – inhoud, essentie – existentie, idee – voorwerp, abstract – concreet, etc. De (post)moderne filosofie is vooral gericht geweest op het destrueren van deze fossielen van de filosofie, maar zodra er geconstrueerd wordt, komt die verwaarloosde vraag weer: ‘is het nou wel waar?’ Laten we dus daarmee beginnen!