Jeroen Kuiper
28 augustus 2011
In zijn werk weet Gerard Visser altijd academische strengheid met levendige bezieling te combineren. Zijn boek
Gelatenheid. Gemoed en hart bij Meister Eckhart (2008) bespreekt bijvoorbeeld enerzijds nauwgezet Aristoteles' leer van het affectieve en anderzijds staat deze bespreking in het teken van een 'bezinning op de voorwaarden van een toekomstige spiritualiteit'. Ter illustratie van het laatste: wanneer Eckhart de eerste persoon Gods, de Vader, met de
potentia identificeert, lees je dit onbezonnen als het dogma van de almacht van God. Tja, denk je dan, dode rotzooi. Visser brengt deze bepaling in een klap tot leven door
potentia als levenskracht te lezen.
Gemoed en gemoedsbeweging
Om te beginnen onderscheidt Visser drie moderne verhoudingswijzen:
- rationaliteit: thans de functioneel-economische berekening en reflectie daartoe, exemplarisch in wetenschap en techniek;
- beleving: de nadruk op de volte van het leven;
- gelatenheid: de beleving niet rationeel opeisen, maar het leven in tact laten.
Dit boek is bedacht als eerste in een drietal: gelatenheid met betrekking tot religie (1), kunst (2) en filosofie (3). Visser begint met de religie, omdat het dragende van het drietal het innerlijk van de ziel is.
Gelatenheid verhoudt zich tot een leeg en open midden. Dit midden openbaart zich voor Eckhart in de
intellectus/mens/animus, het hoogste gedeelte van de
anima, ...